R.

Ze raakt ontstemd. De interviewer heeft ‘de schilder’ die zij na jaren in zijn gezelschap te hebben verkeerd als ‘haar schilder’ is gaan beschouwen bij naam genoemd. ‘De schilder’ – laten ook wij hem, net als de interviewer, R. noemen – had incognito moeten blijven opdat ‘het meisje’ niet al te zeer in zijn schaduw zou staan. ‘De schilder’ had incognito moeten blijven omdat hij alleen zo – anoniem – model kan staan voor het genootschap van vakbroeders. Zij heeft zijn naam een boek lang zorgvuldig vermeden en nu gooit de interviewer alsnog roet in het eten. 

Ze had de interviewer geschreven dat ze echt zin had om te komen, maar om eerlijk te zijn had ze dat niet. De afspraak kwam bij nader inzien zelfs hoogst ongelegen. Ze had geschreven dat ze zin had om te komen, omdat ze niet anders kon na de uiterst correcte brief die ze van de interviewer ontvangen had. Ze hoopte de interviewer met het tonen van haar bereidheid tot het voeren van een gesprek mild te stemmen. Hoe kon ze vermoeden dat de interviewer – voorbereid en dus op de hoogte van haar ideeën over publieke optredens: ‘een schrijver communiceert niet met een lezer’ – een gewaarschuwd mens was. 

Hoe mooi zou het geweest zijn als de interviewer de door haar gekoesterde vooroordelen had bevestigd. Maar dat doet de interviewer niet. Deze interviewer heeft er werk van gemaakt.

Meteen al, vanaf de eerste vraag, weet ze dat ze zich er dit keer niet met een jantje-van-leiden – Jan van Leiden die eigenlijk Johan Beukelszoon heette en een al even gruwelijke dood stierf als ‘het meisje’, waarna zijn lichaam in een kooi tot vergaans toe tentoongesteld werd – van af kan maken. De interviewer verdrijft haar uit haar comfort zone – een uitdrukking die ze zelf niet meer bezigt sinds zij gemeengoed geworden is, maar die wel heel precies aangeeft wat haar aangedaan wordt.

Natuurlijk, de interviewer heeft een punt, maar ze is niet van zins dat toe te geven. De lezer moet blijven geloven dat het verhaal een verhaal is en ‘het meisje’ en ‘de schilder’ personages in dienst van dat verhaal. Zo heeft zij het bedacht. Dat de lezer de werkelijkheid overal met de haren bijsleept, is haar een doorn in het oog. Er zijn er zelfs die haar tijdens lezingen trots het tekeningetje dat ‘de schilder’ van ‘het meisje’ maakte, komen laten zien. Alsof zij van het bestaan van dat tekeningetje geen weet heeft!

Met het tekeningetje was het langgeleden begonnen. Het had haar ontroerd. Pas later had ze een verhaal gezien. Een verhaal dat zich voor haar ogen ontrolde, maar dat ze toen ze eenmaal aan het schrijven was niet naar haar hand kon zetten.

Dat had de interviewer tussen de regels gelezen. De interviewer had gevoeld dat haar verhaal over ‘de schilder’ en ‘het meisje’ niet meer wilde worden dan een op de historische werkelijkheid gebaseerd verhaal over een schilder en een meisje. 

De interviewer legt de vinger op de zere plek en dat neemt ze de interviewer hoogst kwalijk.

Zij heeft gegokt en verloren, maar waarom zou ze dat toegeven? Uiteindelijk is zij dé schrijfster en de interviewer maar een interviewer.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *