Stoïcijn: Op een dag in Het Museum voor Nooit Verzonden Brieven aan Beroemde Auteurs
28/03/2012 | Door Kees Engelhart | Gepubliceerd in columns | Tags: stoïcijn
Op de middag, begin januari, dat Engelhart en zijn beeldschone vrouw Het Museum voor Nooit Verzonden Brieven aan Beroemde Auteurs bezoeken, schiet het Engelhart tegen vier uur te binnen dat Engelhart niet nog weet waar Engelhart is, noch wie de knappe, zoniet beeldschone vrouw is, die zo familiaal, liefdevol en intiem zich met Engelhart bezighoudt. Er is niets aan de hand dat voelt Engelhart gewoon, toch bekruipt Engelhart een zekere twijfel.
Dan passeert hen een andere, eveneens meer dan betoverende vrouw, die Engelhart plotseling, maar feilloos, herkent als zijnde werkelijk zijn eigen echte vrouw, met juist die vormen, juist die glimlach en juist die manier van voortbewegen, die zo kenmerkend voor Engelhart zijn vrouw zijn.
Engelhart loopt verheugd op haar toe en kust haar blijmoedig op haar rechterwang. Onmiddellijk haalt zij uit en slaat Engelhart hard, en zonder ook maar enige blijk van herkenning of mededogen, met haar rechterhand op Engelhart zijn linkerwang, om zich vervolgens onmerkbaar snel te verwijderen.
Verdwaasd staat Engelhart daar. Engelhart ziet een klok, maar weet niet wat een klok is, noch waartoe het vreemdsoortige apparaat dient, of wat het verder zou kunnen behelzen. Engelhart nu zoekt naarstig naar de familiair aandoende knappe vrouw om meer over de ontstane situatie te weten te komen, echter de zich zo intiem, familiaal en liefdevol jegens Engelhart opstellende knappe vrouw is klaarblijkelijk ergens naartoe verdwenen. Een ergens waar Engelhart hoegenaamd geen enkele weet van heeft.
Engelhart ziet niets dan miniatuurdonderwolken boven de vitrines hangen, die kleine venijnige bliksemschichten naar beneden zieden. Engelhart loopt de brede gang naast de toonzaal in. Er is helemaal niemand meer. Onmiddellijk daaropvolgend gaan de lichten uit. Het is instant inktzwart. Engelhart gaat snel terug de toonzaal in, daar is namelijk nog wat licht vanwege de kleine, bijna grappige, venijnige bliksemschichtjes.
Engelhart vraagt zich opeens, en niet zomaar, af wie Engelhart is, want zojuist bedacht Engelhart zich niet meer te kunnen herinneren welke de naam is die Engelhart draagt.
Nu wordt Engelhart plotseling heel erg moe. Zonder enige aanleiding herinnert Engelhart dat zich ergens, Engelhart weet precies waar, onder de vitrines vol nooit verzonden brieven aan beroemde auteurs, een comfortabel veldbed met stormlantaarn, tondeldoos, wat kruidensigaretten, een kwart fles grappa, alsmede een boek dat Engelhart moeiteloos naar het einde van deze nacht zal laten reizen, bevindt. Al heel snel ligt Engelhart er lekker in, met beslist, het is ontegenzeggelijk, zijn liefste rood met wit gestreepte pyjama aan.




