Fellini was hier
14/06/2012 | Door Juliyah Milonas | Gepubliceerd in proza | Tags: macumba, vrouw en hond
De dag heeft zijn langste tijd gehad. De zon heeft aan kracht ingeboet, maar dat wordt ruimschoots gecompenseerd door de kleurengloed die zij over het landschap uitstort. En passant werpt ze schaduwen die de werkelijkheid buitenproportioneel representeren.
Het is tegen die tijd dat wandelen weer aangenaam wordt. Vandaag loop ik linksom. Linksom kan ik dromen en dan zie en ruik – het gonst hier van de geuren – ik meer.
Het landschap oogt onveranderlijk. Rode grond die opstuift en ook weer neerdaalt; het zilver en groen van de blaadjes van de olijfbomen en daarboven het blauw waarop wolken geen grip hebben.
Die schijn bedriegt. Ook hier houden seizoenen huis. Wacht maar tot de eerste regen valt.
Ik loop naar de rivier die zich in dit jaargetijde als een keienketting door het landschap slingert. Zelfs zonder water domineert zij het. Ik zoek haar op om na een lange afwezigheid mijnerzijds dag te zeggen.
Als ik er bijna ben zie ik iets waarvan ik me niet kan voorstellen dat ik het zie. Onder de grote kurkeik aan de rand van de open vlakte staat een gedekte tafel. Naast de tafel ligt een kleed waarop nog meer te eten, te drinken en te roken uitgestald is.
De sfeer is unheimisch. De stilte onnatuurlijk. De maaltijd overdadig en onaangetast, behalve door de elementen – het heeft de afgelopen nacht kort maar hevig geregend.
Dat dit feestmaal, inclusief bruidstaart, voor menselijke consumptie bestemd is geweest, lijkt mij onwaarschijnlijk.
Inmiddels weet ik dat dat inderdaad niet het geval is. Wat ik gezien heb zijn offers om geesten gunstig te stemmen opdat ze namens jou goed doen of onheil aanrichten. Het is een ritueel. Macumba heet het.
Maar dat wist ik toen, toen ik daar in verwarring liep en zocht naar betekenis, nog niet.
Ik wacht, of eigenlijk: ik houd in, en kijk wat hij gaat doen. Hij is een hond. Hij is niet van mij maar af en toe mag ik hem lenen. Hij is in de war, maar doet zijn best om dat niet te laten merken. Schijnbaar onverstoorbaar gaat hij door met waar hij mee bezig was: zich tegoed doen aan geursporen. Zijn neus stofzuigert over de grond – zo natuurlijk is de beweging van gelukszoekers met metaaldetectoren. Niet een keer steekt hij zijn neus in de lucht. Hij vermijdt de verleiding die op de loer ligt. Hij is niet te vermurwen.
Als hij uitgeroken is, gaan we verder. Hij kijkt niet op of om. Ik wel. Het laat me niet los, dat vreemde tafereel aan de rand van het bos. Zodra ik iemand zie, begin ik te vertellen. ‘O… macumba’. Alsof het de gewoonste zaak van de wereld is.
‘Je hebt toch niets aangeraakt.’ Als het om geesten gaat, is voorzichtigheid geboden, begrijp ik. Zelfs als je niet in die geesten gelooft.




