Een verhaal dat boeit, irriteert en blijft hangen. Zo’n verhaal heeft Joshua Ferris heeft in De naamlozen geschreven.
Het is een liefdesverhaal, maar liefde brengt geen redding – de liefde overwint niet de dwangneurose van hoofdpersoon Tim om maar te blijven, blijven, blijven lopen.
Het verhaal in een notendop: Tim Farnsworth is een succesvol advocaat met best een fijn gezinsleven. Hij is nog steeds gek op zijn vrouw, en houdt ook veel van zijn volumineuze puberdochter. Tim zet zijn geluk noodgedwongen op het spel; hij lijdt aan een onbenoembare aandoening: er zijn momenten dat hij niet meer kan stoppen met lopen. Pas bij fysieke uitputting valt hij neer en als hij wakker wordt, loopt hij weer verder. Hij blijft van zijn vrouw Jane houden en zij van hem ondanks dat hij steeds vaker en langer wegblijft. Ze vlucht in de drank.
Er is een ongelijkmatig tijdritme in het verhaal. Aan het einde van het boek zijn jaren voorbij gevlogen. Alsof je aan het begin van het boek de karakters goed kent en hen uit het oog verliest om ze na jaren weer tegen te komen. En dan tot je grote schrik beseffen dat Tim al jaren loopt en dat de momenten van moeten lopen, een groot moment van lopen is geworden.
Wat ergernis opwekt, is het niet kunnen begrijpen waarom Tim moet blijven lopen en zijn geluk weggooit en zijn vrouw, kind en later ook zijn kleinkind verlaat. Er is geen logische verklaring waarom Tim loopt en loopt, hoewel Ferris wel uitgebreid schrijft over de zoektocht naar het hoe en waarom van Tims aandoening.
Ferris’ stereotyperingen over advocaten en -kantoren dragen bij aan irritatie tijdens het lezen. Tims collega’s zijn hypocriet, begrijpen hem niet en zijn slechts geïnteresseerd in hun eigen carrière. Tim werkt aan een moordzaak, maar die verhaallijn is volkomen oninteressant en in het boek overbodig.
Maar waar Ferris wel goed in is, is schrijven. Zijn zinnen wekken moeiteloos het gevoel op dat noodzakelijk is om het gevoel daadwerkelijk te ervaren. Neem de derde zin op de eerste pagina: ‘IJs regende neer als gifpijltjes.’ Zo eenvoudig kan goed schrijven lijken.
Of neem deze (twee) zinnen:
‘Zijn lichaam bewoog hem voort op de stoep. Geen beschutting tegen de hoosbui, het gehuil om de randen van de gebouwen, het wapperen van al wat niet vastzat, de tunnels van wind, druppels zo wit als balren, ramen die leken te kronkelen onder het gutsende water – voor hem geen wijkplaats, geen eettent, geen hal, geen kantoorgebouw, geen Starbucks, geen slaapkamer.’
Het is jammer, zoals ook Bouke Vlierhuis in zijn recensie voor Vrij Nederland aangaf, dat de Nederlandse titel niets te doen heeft met de betekenis van de authentieke titel: ‘The Unnamed’.
Leave a Reply