Aandachtig beschouwt Engelhart de omslagfoto van een der invloedrijke literaire tijdschriften van het belendende kleine zuidelijke land, waarop de beeltenis van Engelhart zelf prijkt. Engelhart vraagt zich in gemoede af of Engelhart op Engelhart lijkt, zoals Engelhart zelf Engelhart meent te kennen en visualiseren.
Het is half tien in de avond Engelhart zit aan zijn schrijftafel, geniet een dubbele graanjenever, zeer, zeer zacht van smaak. Engelhart zijn blik en gedachten dwalen af van de omslagfoto.
Vanmiddag nog stond Engelhart boven op het duin en keek uit over zee, de meeuwen cirkelden, in hun voorlopig eeuwige wentelgang, boven land en zee.
Het oude eiland lag als altijd roerloos aan de overzijde.
Heerlijk was het daar te staan mijmert Engelhart, die zijn rechterhandpalm onder de kin heeft gezet.
Dan wordt er aan het raam geklopt, het loopt tegen een nieuwe lente. De lente van het jaar onzes heren tweeduizend en twaalf.
Engelhart opent de deur om een blanke vrouw en een zwart langharig hondje een entree te verschaffen. De blanke vrouw krijgt een biertje en Engelhart en de blanke vrouw gaan praten en drinken en roken.
Een half uur later is Engelhart weer alleen en opnieuw nemen Engelhart zijn eigen gedachten hun rechtmatige plaatsen, na wat licht geschuifel en voelbaar genoegen, als immer opgetogen in
Het zal vrijwel middenavond zijn, Engelhart denkt na over waar Engelhart uit voortgekomen is. Niet uit niets, dat is onmogelijk mijmert Engelhart, maar waaruit dan wel?
Als vanzelf dwaalt Engelhart zijn blik hernieuwd en uiterst aandachtig naar de omslagfoto. En Engelhart vraagt zich af wat Engelhart ziet en ervaart bij het aandachtig beschouwen van het fotoportret van Engelhart dat Engelhart voor zich ziet.
Leave a Reply