In De bekoring van Hans Münstermann heeft de moeder van Andreas Klein genoeg van het leven zoals het gaat. Ze is haar man zat. Ze is haar grote gezin zat. Maar ze schrikt van wat er losgewoeld wordt na een onverwachte ontmoeting. Ze schrikt zo erg dat ze naar de dokter gaat:
‘Ben ik ziek, heb ik de dokter gevraagd. Zeg dat ik ziek ben. Ik ben een zieke vrouw. Ze spreekt in gedachten de conducteur aan, die maar al te graag naar haar wil kijken en luisteren. De dingen die ik gedaan heb! Om te ontsnappen! Wilt u dat weten? Wat ik al veel eerder geprobeerd heb. Hoe zwaar mijn kinderen op mij drukten, als beton op mijn borst. Ik hoopte dat ik opgenomen zou worden, ergens ver weg in de bossen, onzichtbaar, in een sanatorium waar mijn leven terug zou keren, de leegte in mijn borst weer langzaam vol zou stromen, waar ik tijd zou hebben, eindelijk veel tijd om te ademen en te denken. Ik zie een rond betegeld plein aan het water, met een ouderwets luxe hotel, in de zon. Wat heeft ze gewenst en vurig verlangd en gehoopt, als kind. Dat de dokter een papier zou pakken en haar naam opschreef, dat hij zou telefoneren. Het zou zo simpel zijn. De dokter knikt haar bemoedigend toe. “Ze komt er nu aan,” zegt hij in de hoorn, “ze moet er even helemaal uit.” En dan weg. Dag dokter, tot over een jaar. Dat er een deur zou open zwaaien, en dan… Maar het enige wat hij deed, met de ellebogen op tafel, de vingertoppen tegen elkaar aan: een voorstel om een paar weken lang elke dag een biefstukje te eten. Daar zou ze weer kracht van krijgen. Dat was ook zo, een het was lekker. Maar toen die weken voorbij waren, dure weken die een aanslag op het huishoudgeld waren, kwam de moeheid meteen weer terug. Elke dag biefstuk, dat is niet te betalen. Ze ging weer naar de dokter. Je moet gaan tennissen, zei hij, iets buiten doen. Dus ze ging tennissen met haar vriendin. Maar dat hielp niet. Ze zei het tegen de dokter. Het helpt niet. Ik kom er niet uit. Tijdens het tennissen gaat het wel beter, dan hoef ik nergens aan te denken, maar daarna ben ik de hele dag bekaf. Hij gaf haar medicijnen, kalmerende middelen, slaapmiddelen. Ze voelde hoe hij in haar ogen keek en hoe hij peilde wat zich werkelijk in haar ziel afspeelde. Ze wilde niet meer. En in zijn ogen las zij: maar je moet. Je hebt een gezin, je moet.’
Natuurlijk gaat het in deze passage niet om die paar regels die aan tennis gewijd zijn. En ook niet om wat dokters hun patiënten voorschrijven. Het gaat om de moeder van Andreas Klein. Hoe je het ook wendt of keert, en wie er in De bekoring ook aan het woord is: het gaat om het innerlijk leven van een vrouw/moeder in een tijd dat vrouwen/moeders nog niet geacht werden een innerlijk leven te hebben.
Leave a Reply