Het is vandaag de Franse nationale feestdag, maar of dat ook betekent dat er een Franse renner gaat winnen? Ze zullen er vast voor gaan, maar cadeautjes worden er in de Tour niet gegeven, ook niet op Quatorze Juillet. Behalve in 1967. Toen mocht er die dag een Engelsman winnen. Omdat Tommy Simpson op de dertiende juli op weg naar de top van de Mont Ventoux in elkaar gezakt was en later die dag in Avignon was overleden.
Quatorze Juillet dus. Wat die datum doet in het gedicht Le Château (Nohant-sur-Indre) van Boudewijn Büch weet ik niet.

Placide Verdot maakte deze foto op verzoek van George Sand. De foto maakt onderdeel uit van een serie die hij maakte in op 26 april 1875 op haar landgoed in Nohant. George Sand zit onder de parasol, met haar kleinkinderen Aurore et Gabrielle naast haar, rechts haar zoon Maurice Dudevant-Sand en zijn vrouw Lina Calamatta. Placide Verdot (1827-1889), Public domain, via Wikimedia Commons
dit vers was leger als het niet geschreven werd
en bleef het in de verte liggen
op Nohant. Waar enkel schilderij
lijstloos in het landschap hing
Juillet Quatorze. Met zoveel groen
tot aan de overkapping. Die is blauw
ik teken nu de mensen in. Op het jaagpad
naar La Châtre. Daar gaan wij
opeens, de bladzij lijkt vergroot,
komen – alsof er hoeken in de weide
staan – vader & het zoontje aan-
gelopen
ondanks dat sterven op reis leek weg
te groeien, is één van hen de dood:
de vader draagt een zeis en wat te hoog
bloeit zal hij snoeien. Terwijl de jongen
onhoorbaar in de afstand praat, snijdt
ijzer door wat aan de wegkant staat
wij zien de neergetogen bereklauw,
de schade aan de nacht, de sluier
van de bruid. Worden wij gegroet in ‘t Frans:
met soortnaam aangeduid
rakelings de dood voorbij. Voor jou
zijn in de haag twee paarse bloemetjes
gebleven. Je neemt ze van het doek
En draagt ze in het haar
mooi is kunst dat hang je aan de muur
maar voor een spijker is deze literatuur
te zwaar
bewaar dan deze foto als genomen:
we hebben langs de dood geschreden
voor eerst kon ik haar vreedzaam
samenkomen & betreden
Aan Bernadette
Misschien dat Boudewijn Büch en zijn Bernadette precies op die dag het huis van George Sand in Nohant bezochten.
Dankzij zijn biografe Eva Rovers weten we wel dat Boudewijn Büch het gedicht ter plekke schreef:
‘In het park van het landhuis liet hij zijn Olympia Traveller duchtig ratelen. In tegenstelling tot het overgrote deel van zijn poëzie, schreef hij nu een gedicht dat niet wanhopig van toon was, maar berustend, zelfs hoopvol. Het gedicht, “Nohant” getiteld, eindigde met de regels: “we hebben langs de dood geschreden/vooreerst kon ik haar vreedzaam/samenkomen & betreden”.
(uit: Boud: het verzameld leven van Boudewijn Büch)
Ik vermoed dat veel van wat Büch in het gedicht – dat onderdeel uitmaakt van een serie reisliederen – betrekking heeft op wat hij even tevoren heeft gezien en ervaren.
Het jaagpad naar La Châtre zette me op een spoor, al was het een min of meer dood spoor. Van alle brieven van George Sand aan Gustave Flaubert schreef ze er één in het nabij gelegen La Châtre, waar ze haar toevlucht zocht in roerige tijden, al is de bestorming van de Bastille – 14 juli 1789 – zelfs dan al enige tijd verleden tijd en slaan de zorgen om de toekomst van Frankrijk op een ander conflict:
La Châtre, 14 oktober 1870
We zijn in leven, in La Châtre. Nohant wordt geteisterd door een gecompliceerde, afschuwelijke pokkenepidemie. We hebben onze kleintjes mee moeten nemen naar vrienden in de Creuse, die ons zijn komen ophalen, en we zijn er drie weken bezig geweest met tevergeefs zoeken naar een mogelijk onderkomen voor een familie gedurende drie maanden. Er zijn mensen die ons gevraagd hebben naar het zuiden te komen en ons gastvrijheid hebben aangeboden, maar we wilden de streek niet verlaten waar je je van de ene dag op de andere nuttig kunt maken, al weet je bijna niet hoe je de zaak moet aanpakken. We zijn dus teruggegaan naar de vrienden die het dichtst bij onze huiselijke haard wonen, en wachten daar de gebeurtenissen af.
Het zou volstrekt nutteloos zijn te zeggen wat de gevaarlijke en verwarrende kanten van het vestigen van de republiek in onze provincies zouden zijn. We moeten ons geen illusies maken: alles wordt op één kaart gezet, en het eindigt misschien met het orleanisme. Maar we zijn in zo’n onvoorspelbare situatie terechtgekomen dat het me kinderachtig lijkt voorspellingen te doen. Het gaat erom aan de eerstvolgende ramp te ontsnappen. Laten we niet zeggen dat het onmogelijk is, laten we dat niet geloven. Laten we niet aan Frankrijk wanhopen, het zal herrijzen, wat er ook gebeurt. Wij, wij zullen misschien meegesleurd worden. Sterven aan een longontsteking of aan een kogel, dat is nog steeds sterven. Laten we serven zonder ons volk te vervloeken!
We houjden nog steeds van je en we omhelzen je allemaal.
G. Sand
(uit: Wij moeten lachen en huilen: brieven / Gustave Flaubert en George Sand, vertaling: Edu Borger)
De pelgrimage naar het huis van George Sand leverde overigens niet alleen een gedicht op, het liet ook sporen nu in de inrichting van het huis van Boudewijn Büch:

De grote salon met de ovale tafel in het huis van George Sand in Nohant. (Nohant-Vic; Domaine George Sand; Centre, Indre; France; ref: PM_103804_Nohant; Cultural heritage; Europe/France/Nohant-Vic; Wiki Commons; photo: Paul M.R.Maeyaert/ © Paul M.R. Maeyaert)
‘Boudewijn reisde honderd jaar terug in de tijd bij het zien van de ovale tafel in de woonkamer waaraan Flaubert en Balzac met George Sand hadden zitten kaarten en filosoferen over het leven. Twintig jaar later zou hij precies diezelfde opstelling met ovale tafel en blauw-wit gestoffeerde stoelen in Louis XVI-stijl in zijn eigen woonkamer hebben staan. De meeste indruk maakte de chambre bleu, de blauwe slaapkamer op de eerste verdieping, waar Sand de laatste jaren van haar leven had doorgebracht. Het was de wereld die hij voor zichzelf had proberen te scheppen op de Bakker Korffstraat. Het betreden van de kamer imponeerde hem waarschijnlijk des te meer omdat Sand hier was gestorven. Dat gaf hem het idee dat hij haar dichter kon naderen, dichter dan door alleen haar werk te lezen (…)’
(uit: Boud: het verzameld leven van Boudewijn Büch)
Leave a Reply