Vandaag is het vijftig jaar geleden dat Suriname onafhankelijk werd. Dat wordt herdacht en gevierd. Ook met boeken. Boeken die er al waren en opnieuw onder de aandacht gebracht worden. Maar ook met nieuwe boeken, en dat zijn er best wel veel. Met heel verschillende invalshoeken.
Een van de boeken die er al waren – maar minder lang dan ik aanvankelijk dat is Onder de paramariboom ( 2018)van Jothan Fretz. Deze roman staat centraal tijdens de campagne Heel Nederland Leest. Het idee achter deze actie: heel veel mensen lezen – al dan niet in vast leesclubverband – op hetzelfde moment hetzelfde boek om het er daarna samen met anderen over te hebben.
Ik kan me de keuze voor Onder de paramariboom goed voorstellen. Fretz schrijft vlot en toegankelijk. De manier waarop hij zijn personage Johannes Fretz kennis laat maken met Suriname, het land van zijn moeder, spreekt tot de verbeelding en is af en toe behoorlijk hilarisch. Geschikt voor een groot en divers publiek, en dat is voor Heel Nederland Leest een absolute voorwaarde.
Om nog meer mensen te bereiken verspreidt de Stichting Collectieve Propaganda van het Nederlandse Boek via openbare bibliotheken naast een reguliere editie ook een versie in grote letters en een hertaling in makkelijke taal. Anders dan de twee eerstgenoemde uitvoeringen van het boek, bevat de ‘in makkelijke taal’-versie niet de integrale tekst. In dit geval heeft Frans van Duijn de woorden van Johan Fretz omgezet in eenvoudig Nederlands.
Voor de literaire lezer verliest de tekst daardoor aan kwaliteit, want van de stijl van het oorspronkelijke werk blijft niet veel over. Daar staat tegenover dat het verhaal toegankelijk wordt voor een nog grotere groep lezers. En er dus meer mensen mee kunnen praten. Want voor de kern van dat verhaal maakt het niet uit hoe literair het verwoord is.
Alleen…
In Onder de paramariboom is een belangrijke rol weggelegd voor de grootvader van Johan Fretz: de dichter André Emiel Gilbert Brouwn. En wie het over een dichter heeft, citeert vanzelfsprekend uit diens werk. Dat doet Johan Fretz ook. Om te laten zien waar André Emiel Gilbert Brouwn voor staat, citeert hij zelfs de integrale tekst van het gedicht ‘Wij zijn Surinamers’. Een gedicht waarin Brouwn laat zien wat mensen in Suriname ondanks hun verschillende culturele achtergrond tot Surinamers maakt.
Helaas ‘heeft ‘Wij zijn Surinamers’ de ‘in makkelijke taal’-versie van Onder de paramariboom niet gehaald. Omdat poëzie nog altijd te boek staat als ‘moeilijk’? Of is het omdat het zo goed als onmogelijk is om van een gedicht poëzie in makkelijke taal te maken. Dat laatste kan ik me voorstellen. Want veel gedichten zitten vast aan de vorm die de dichter heeft gekozen. Van het verhaal dat de dichter vertelt blijft in eenvoudig Nederlands waarschijnlijk minder over dan van een verhaal dat de schrijver van proza vertelt.
Daar staat dan wat mij betreft tegenover dat je als je een gedicht leest niet elk woord en elke zin hoeft te begrijpen om te voelen waar een gedicht over gaat. Ik denk dat heel veel lezers van poëzie kunnen beamen dat ze niet altijd precies begrijpen wat er staat, dat ze niet altijd door kunnen dringen in het universum dat een dichter schept, maar dat ze ondanks dat het gedicht dat ze gelezen hebben ‘mooi’ vinden. Omdat het gedicht hen geraakt heeft op een manier die de taal ontstijgt.
Ik kan me voorstellen dat dat in het geval van ‘Wij zijn Surinamers’ ook het geval geweest zou zijn. En dus is het jammer dat het gedicht van André Emiel Gilbert Brouwn, de schrijvende opa van Johan Fretz, in Onder de paramariboom ‘in makkelijke taal’ ontbreekt. Ik denk dat het ook voor wie het Nederlands minder machtig is niet zo moeilijk is om te begrijpen wat de dichter bedoelt:
‘Wij zijn Surinamers’
Ik trek er mij niks van aan of anderen zich druk maken,
Ik hoor de roep van Afrika niet.
Maar één ding weet ik slechts:
Ik ben Surinamer!
Ook al hebben onze broeders uit India hun eigen leer (zeden en gewoonten),
Toch is hun navelstreng in deze grond begraven,
Al noemen zij zich Hindoestanen,
Toch zijn zij Surinamers!
Laat onze broeders uit Indonesië gerust zich houden,
Aan het praten van hun eigen taal in een vloed van woorden.
Al noemen zij zich Javanen,
Toch zijn zij Surinamers!
Surinaamse bodem die mij gevoed heeft,
Surinaamse grond waar ik onderwezen ben.
Suriname en ik zijn een!
Ik ben Surinamer!
Onze Moeder is Suriname.
Laat het ons daarom niet verwonderen,
Dat wij, hoe wij er ook uitzien
Surinamers zijn!
Dat geklets over het ras is eentonig geworden,
Allen wier navelstreng begraven is
In de Surinaamse grond zullen blijven
Voor altijd: Surinamers!
De Surinaamse taal bindt ons allen aaneen,
De Surinaamse vlag waait over ons allen.
Houd daarom op met dat almaar schreeuwen over het ras!
Wij zijn Surinamers!
Surinamers! Dat zijn wij!
Surinamers overal waar jullie zijn!
Surinamers blijven jullie voor eeuwig!
Wij zijn Surinamers!
Ter gelegenheid van Heel Nederland Leest schreef ik vorige maand voor Senia ook over Johan Fretz en zijn schrijvende opa.
Leave a Reply