
Ze schelen maar twintig jaar en toch tekende zich in de aanloop naar de uitreiking van de Inktaap 2026 – dé literaire jongerenprijs – een gapende generatiekloof af tussen Esther Gerritsen (1972) enerzijds en Joost Oomen (1990) en Falun Ellie Koos (1992) – haar twee mede-genomineerden – anderzijds.
Ze kwam wat later binnen – het gesprek was al begonnen, het ging over literatuurbeleving: over het onbelang van precieze duiding – en mengde zich er meteen volop in. Een van de eerste dingen die ze zei ging over hoe moeilijk ze het zelf had gevonden om de overstap te maken van de jeugdliteratuur naar boeken voor volwassenen. Want de kinder- en jeugdboeken die ze las, zaten vol helden en liepen altijd goed af, terwijl in boeken voor volwassenen vaak heel vervelende mensen een hoofdrol voor zichzelf opeisen. Het kostte Esther Gerritsen aanvankelijk de nodige moeite om te genieten van de boeken die bedoeld waren voor de mens die ze aan het worden was.
Hoewel ik me wel iets kon voorstellen bij wat Esther Gerritsen te berde bracht – ik heb als kind heel wat voorspelbare boeken gelezen: het echte lezen kwam pas laat in mijn leven – kwam wat ze zei mij opeens zo onnoemelijk ouderwets voor. En ik zag Joost Oomen en Falun Ellie Koos denken: waar heeft zij het over… Want: ja, de kinder- en jeugdliteratuur – de Nederlandse ook – is hartstikke volwassen geworden in de loop van de afgelopen decennia. Het gaat heel vaak ergens over, personages lijken steeds meer op echte mensen – wel jammer dat nog niet ieder kind zich kan herkennen in de karakters die ten tonele gevoerd worden, en zelfs als helden de hoofdrol opeisen is dat geen garantie dat het verhaal goed afloopt. (En hoezo domineren vervelende types romans voor volwassenen?)
Even voelde het alsof alle kansen op de Inktaap voor Esther Gerritsen in keer verkeken waren door het prijsgeven van deze leesbeleving. Alsof ze zichzelf daar op dat moment definitief buitenspel zette. Onzin natuurlijk, want de beslissing was al gevallen, sterker nog: ik wist al wie er aan het eind van de dag met de trofee naar huis zou gaan.
Esther Gerritsen wilde de jongeren in de zaal waarschijnlijk een hart onder de riem steken – door begrip te tonen voor hun mogelijke weerzin tegen lezen – maar sloeg de plank een beetje mis.
In de zaal zaten ruim tweehonderd uitermate gemotiveerde leerlingen die zich het afgelopen jaar niet alleen verdiepten in haar Gebied 19, maar ook in Rouwdouwers van Falun Ellie Koos en Het paradijs van slapen van Joost Oomen. En als ze net zo grondig, weldoordacht en enthousiast gelezen, gediscussieerd en beoordeeld hadden als hun voorgangers tijdens eerdere edities, zou Esther Gerritsen de rest van de dag nog regelmatig versteld staan.
Door haar ongemak – later die dag zou ze toegeven dat optreden voor scholieren haar niet zo makkelijk afgaat – leek Esther Gerritsen een auteur uit een ander tijdperk. Een auteur voor wie performen geen vanzelfsprekendheid is. Een auteur die wel kan vertellen over het werk dat ze geschreven heeft, maar daar door op te treden niet per se iets nieuws aan toevoegt. Moet dat dan? Nee! De corebusiness van een schrijver is en blijft schrijven.
En toch valt ze daar op dat podium wat uit de toon. Naast haar zit Joost Oomen. Schuin tegenover haar Falun Ellie Koos. Beiden weten zich onder de gegeven omstandigheden – geflankeerd door wel drie moderatoren, en bijna driehonderd afwachtende leerlingen voor zich – beter te weren. Ze weten dat performen er tegenwoordig bij hoort. Joost Oomen is de uitbundige van de twee: hij gooit behalve zijn werk ook zichzelf in de strijd. Falun Ellie Koos houdt het bij diens werk, waarvan hen wil dat het iets doet met lezers. Beide zoeken de een wat nadrukkelijker dan de ander contact en de dialoog met hun publiek.
De drie vertegenwoordigen twee generaties schrijvers. Het zijn dit keer niet de karakteristieken van het werk die de generaties van elkaar onderscheiden, maar de opvatting over wat een schrijver is en hoe hij zich in de publieke ruimte kan/mag/moet manifesteren. Van schrijvers wordt in toenemende mate verwacht dat zij uit de schaduw van hun boek treden. Dat zij zichzelf laten zien. Dat is iets anders dan van een auteur verwachten dat hij zich spontaan of op uitnodiging mengt in een maatschappelijk debat, omdat van een schrijver automatisch aangenomen wordt dat hij opvattingen heeft over de wereld waarin hij leeft. Nee, een schrijver die mee wil tellen moet zichzelf kunnen verkopen in het belang van zijn boek. Zeker op de dag dat de Inktaap 2026 uitgereikt wordt.
Leave a Reply