Het verbaasde me dat na afloop niemand in het geweer kwam. De zaal zat immers vol biografen en andere mensen die verstand hebben van het genre. Voor hen stond een jonge wetenschapper die zich intensief verdiept in een leven van een dichter die ook werkzaam was als psycholoog.
Hij is zijn biograaf en aan hem is gevraagd een dilemma te verwoorden. Iets waar hij tijdens het werken aan de biografie tegenaan gelopen is. De jonge wetenschapper valt maar meteen met de deur in huis: ‘Mag je een jou onbekend persoon van wie je weet dat hij psychisch lijdt, zomaar opbellen en vragen naar diens verleden?’
Het leek een open vraag, een vraag die hij zijn gehoor voorlegde in de hoop dat het hem advies kan en wil geven zodat hij weer verder kan. Maar dat was het niet. Uit wat volgde bleek dat de biograaf zichzelf dit dilemma al in een eerdere fase van zijn onderzoek had voorgelegd en vervolgens actie had ondernomen.
De biograaf heeft de beschikking over de agenda’s waarin degene wiens leven hij optekent heel nauwgezet heeft bijgehouden wie hij waarvoor behandeld heeft. Omdat hij wil weten wat er zich in de behandelkamer afspeelde – hij is immers niet alleen de biograaf van de dichter, maar ook die van de psycholoog, en dus moet hij weten in hoeverre wat de een meemaakte invloed had op hoe de ander dat uitte – heeft hij de stoute schoenen aangetrokken en contact opgenomen met meerdere oud-patiënten. De eerste die hij belde reageerde heel enthousiast en was bereid hem uitgebreid te woord te staan. Hij ging ook bij een ander op bezoek, die hem echter al meteen bij binnenkomst laat weten niets te zullen vertellen over zijn behandeling.
Mag je een psychiatrisch patiënt zomaar bellen en hem het hemd van het lijf vragen? De biograaf had de vraag dus met ja beantwoord. Ik denk dat niet alle biografen in de zaal tot dezelfde conclusie waren gekomen. Hoe verhelderend zou het geweest zijn als ze daarover met elkaar van gedachten hadden kunnen wisselen?
Toch was de keuze die de biograaf maakte niet dat wat mij het meest verbaasde. Wat ik uitermate laakbaar vond, was dat hij de oud-patiënten van de dichter/psycholoog – ik denk dat deze volgorde aangeeft waar de biograaf de nadruk op gaat leggen – tijdens zijn praatje met naam en toenaam noemde. De mensen in de zaal weten daarmee ook wat de twee – waarvan er een een min of meer bekende Nederlander is – mankeerden. Hij liet foto’s zien en maakte ook mij deelgenoot van de correspondentie tussen een behandelend arts en zijn patiënt. Gegevens die volgens mij uitermate vertrouwelijk zijn en vallen onder het medisch beroepsgeheim.
Waarover het na afloop dus niet ging, was de vraag of de biograaf deze informatie wel had mogen inzien. Of de beheerder van het (persoonlijk) archief van de dichter/psycholoog deze informatie niet had moeten afschermen voor gebruik door derden. Zelfs door een biograaf.
En of die biograaf zich wel voldoende gerealiseerd heeft dat hij met het publiek maken van die informatie niet alleen zichzelf maar ook zijn gehoor met een probleem heeft opgezadeld. Daarover ging het dus nadrukkelijk niet.
Pas maanden later had ik het er met een andere biograaf over. Hij herkende de vraag. Voor hem was het geen dilemma. Zoiets doe je domweg niet. En ook hij is verbaasd dat de biograaf toegang had tot die informatie.

Leave a Reply