
Bernard Gagnon. Ventilatietorens op het dak van Casa Milà, ontworpen door Antoni Gaudí (Creative Commons: https://commons.wikimedia.org/wiki/File:Casa_Milà_01.jpg)
Deze editie van de Tour de France begint bijna letterlijk als een rondje om de kerk. En wat voor kerk. Al heel lang in aanbouw, maar nog niet zo lang geleden, op de honderdste sterfdag van Antoni Gaudí i Cornet – niet de enige architect die bij de bouw van de kerk betrokken was, maar wel de belangrijkste – kwam Paul Leo langs om de eindelijk voltooide hoogste toren in te zegenen.
Gaudí wandelde elke dag van het Park Güell, waar hij woonde, naar zijn werkplek.
Daar ergens zag J. Bernlef kinderen fietsen, bij wijze van spreken dan (of misschien wel echt). Het schreef er een gedicht over: ‘De tuinen van Gaudí’:
Kinderen rijden graag op rode driewielers
door de tuinen van Gaudí
en kijken over hun stuur gebogen
naar zijn kerk: de Sagrada Familia
die struikelend ten hemel stijgt;
niet als een martelaar
behangen met spieren en geleend bloed
maar als een echte gek
een metronoom in de linker-
een bepoederd oog in de rechterhand.
Niemand hoeft bang te zijn in de tuinen van Gaudí
die de blote rug van Barcelona
bedekt heeft met pluizende kruizen.
Niemand hoeft te verdwalen
in zijn ronde gebaren.
Starend naar bleek porselein
sleten de tonen van de pianola
en brak de zon zijn stralen tot mozaïek.
Niemand hoeft te sterven als standbeeld in de tuinen van Gaudí
noch te leven met een mond vol hars
maar zoals de ligging dit aangeeft:
tussen uitzicht een aanzicht geklemd
bouwend uit dromen een bewoonbaar huis.
Bernlef was niet enige Nederlandse dichter die het over driewielers had. Bert Voeten had minder woorden nodig:
geen vier.
en twee –.
daartussenin .
driewieler.
Kort, maar krachtig. Dat geldt niet voor de terzinen die René van Loenen schreef toen hij in zijn hoedanigheid van stadsdichter een serie terzinen wijdde aan een jongetje op een driewieler. Dat jongetje komt op een aantal ansichtkaarten voor. Hij fietst door Culemborg. Het heeft even geduurd voordat duidelijk werd wie dat jongetje was. Bert Blommers, verzamelaar van oude ansichten, zocht het uit – het jongetje heet Alexander Israël – en schreef er een boekje over: Een monument voor Samuel Israël: over de ‘Goedkoope Bazar’ en ‘het jongetje met de driewieler’. Dat boekje, daar baseerde René van Loenen vervolgens zijn cyclus ‘Klein uur U: speurtocht in terzinen’ uit zijn bundel Surplace op.
Nu is zijn tocht begonnen: een ventje
van een jaar of vijf met driewieler
baart opzien van toevallige passanten.
Maar ook is hij, al fietst hij bijna buiten beeld,
bijna teruggeworpen in een toegedekt bestaan,
het brandpunt van óns kijken, met ogen ver
bij hem vandaan. Wij zijn de toeschouwers
die weten hoe het is gegaan, wat eerst
gekomen is en wat veel later.
Hij doet me een beetje aan een ander jongetje met een driewieler denken…
Wim. Wim uit Wim is weg van Rogier Boon. En niet van Annie M.G. Schmidt, zoals lang ten onrechte vermeld werd. Maarten Regtien zette de tekst van Wim is weg op muziek. Het werk een klassiek lied voor tenor en piano.

Leave a Reply