Het staat er een beetje gek: ‘De bijbel werd voor het grootste deel geschreven door Guifré van Ripoll’. Geschreven is een groot woord, want de bijbel bestond natuurlijk al. Guifré van Ripoll – bijnaam Wilfried de Harige – was stichter van het klooster van Ripoll. De Ripoll-bijbel – waarvan men lang niet zeker wist of hij wil in het scriptorium van dat klooster vervaardigd was – telt 465 perkamenten pagina’s en meer dan driehonderd miniaturen. Daarmee is dit handschrift uit de elfde eeuw een van de rijkste geïllustreerde Spaanse middeleeuwse bijbels.
En het is ook nog eens een uitzonderlijk groot boek: vijfenvijftig bij zevenendertig centimeter.
Tot zover de Ripoll-bijbel – de renners passeren het klooster van Ripoll vandaag als ze ruim 91 kilometer gefietst hebben. Afstappen heeft geen zin: er zijn nog twee exemplaren van de Ripoll-bijbel bewaard. Het ene bevindt zich in Vaticaanstad, het andere in Parijs. En Parijs is nog ver.
Tot zover ook de Bijbel. Over naar een ander soort bijbel. Namelijk de bijbel als in gezaghebbend handboek, ultiem naslagwerk of persoonlijk houvast.
In Ventoux van Bert Wagendorp is sprake van een bijbel van de laatste soort:
Toen Jean de stukken stokbrood met ham voor ons had neergezet, haalde Joost iets uit een plastic tas. Het was De Renner. Hij trommelde met zijn vingers op de tafel en verzocht om stilte. ‘Bart en ik zullen vrijdag de Mont Ventoux beklimmen, zei hij plechtig. ‘Daarom wil ik een stukje voorlezen uit een boek dat door mij en Bart is gelezen, en dat De Renner heet. Dat jullie begrijpen waar wij mee bezig zijn. Oké, daar gaat-ie’. Hij claimde zonder moeite alles, zelfs het boek dat ik als eerst had ontdekt en dat hij pas na lang aandringen had gelezen. Nu was het ineens ook zijn bijbel.’
De Renner, dat is De renner van Tim Krabbé. Een klassiek wielerboek waarin Krabbé – zelf ook een amateur-wielrenner – in het hoofd kruipt van een renner die tot het uiterste gaat en behoorlijk moet afzien. Hij wil winnen, en dat betekent dat hij strategische keuzes moet maken en pijn moet leiden. Krabbé volgt hem, en doet kilometer voor kilometer verslag. Hij haalt zich onderweg van alles in zijn hoofd, spiegelt zich aan wielergrootheden en herinnert zich het een en ander. Bijvoorbeeld dit, als hij ongeveer evenveel kilometer gefietst heeft als de renners als ze het klooster passeren:
Als onze achterstand op hem twintig meter bedraagt, demareer ik. Geroep, paniek, hohé. Ik schiet langs Lebusque, langs Kléber, Hohé. Ik vlieg langs Barthélemy, ik ga zeker twee keer zo hard als hij.
Ik zie niets. Ik zie het beeld van Barthélemy die op snelheid probeert te komen. Ik geef alles maar tegelijkertijd moet ik zorgen dat het niet helemaal alles is omdat ze anders na mijn demarrage over me heen zullen gaan. Nog twintig trappen bijna helemaal alles. Linda zorg dat ik Barthélemy vermoord heb en dat ik zometeen niet gelost word.
Krabbé’s renner moet alles zelf bedenken en zelf beslissen. Hij is van voor de tijd van de oortjes.
(En dan nog het ultieme boek over de Tour. Er zijn veel schrijvers die geprobeerd hebben een Tourbijbel te schrijven. Hun beste boek over de Tour de France. Maar er is maar een auteur die zo brutaal is zijn boek De bijbel van de Tour de France te noemen: Jean Nelissen. Waarna er ook nog De bijbel van 100 jaar Tour en De bijbel van 101 jaar Tour verschijnen.)

Leave a Reply