Het leven van Jorge Semprún wordt gekenmerkt door gedwongen verplaatsingen (hij te linken aan etappeplaats Lestelle-Bétharram – 294 boven NAP). En dat is nog eufemistisch uitgedrukt. Over dat leven in de schaduw van (burger)oorlogen schreef hij meer dan eens. Daarvoor moest hij putten uit zijn geheugen. Dat reconstrueren van zijn leven viel hem niet altijd mee, schrijft hij in Oefening in overleven:
Maar dat concert van 19 april was ik vergeten.
Dat verbaast me niet overmatig, in zeker opzicht. Ik heb al eens ergens gezegd – maar ik mag het gerust nog eens herhalen, zo vreemd en tegelijkertijd ondoorgrondelijk is de waarheid – dat de korte periode van mijn leven, die veertien lange dagen tussen de dag dat het kamp werd bevrijd, 11 april, en die van mijn aankomst in Parijs, de dertigste, de dag voor de volksoptocht van 1 mei, dat die twee weken als het ware uit mijn geheugen zijn gewist.
Soms, o zeker, zijn gezichten, episoden die tamelijk kort zijn maar glashelder en omgeven met een intens licht, opgedoken uit de vergetelheid. Daaromheen, om sommige in elk geval, heb ik wat ik meegemaakt heb gereconstrueerd in De lange reis, in Schrijven of leven.
Maar wanneer ik die flarden herinneringen aaneenvoeg of ze als de door elkaar geraakte stukjes van een puzzel voor me uitleg – in het visuele en conceptuele veld van mijn geheugenarbeid, bedoel ik –, dan lukt het me alleen om een gering aantal uren werkelijke tijd met geloofwaardige gebeurtenissen te vullen. Een paar in een nevel van vaagheid hervonden eilandjes tijd in een oceaan van ongewild maar hardnekkig vergeten, onscherp, ondoorzichtig, onverklaarbaar.
(vertaling: Marianne Kaas)
Zijn autobiografie gaf Jorge Senprún de titel Adieu, vive clarté. Die titel ontleende hij aan Charles Baudelaire’s De bloemen van het kwaad, en wel aan het gedicht ‘Chant d’Autome’, door Peter Verstegen vertaald als ‘Herfstzang’:
Straks breekt de tijd weer aan die donker is en koud;
Vaarwel zomer zo kort, toen fel de zon kon schijnen!
Reeds hoor ik met een doodse plof de blokken hout
Neerkomen op ’t plaveisel van de binnenpleinen.
En al wat winters is, keert in mij weer: de haat,
De wrok, de dwangarbeid, de huiver, het afgrijzen:
Zoals de zon in zijn polaire, helse staat
Is dan mijn hart nog maar een klomp, dieprood maar ijzig.
Ik ril steeds als ik weer zo’n vallend blok moet horen.
Met doffer echo dan als men ’t schavot opstelt.
Mijn geest doet denken aan een wankelende toren,
Bezwijkend aan de stormram met zijn log geweld.
Door dat steeds eender dreunen in beslag genomen,
Lijkt het of men snel spijkers in een doodskist slaat.
Voor wie? – Zie, het is herfst, ’t was gisteren nog zomer!
Dat vreemd geluid: of iemand afscheid nemen gaat.
2.
Ik mag uw ogen met hun groenig licht zo graag,
Mijn schone, maar ik ben vol bitterheid vandaag,
En niets, uw liefde niet, ’t boudoir niet, noch de haard,
Is mij het stralend zonlicht op het zeeschuim waard.
En toch, wees moederlijk, houd van me, teder hart,
Al toon ik ook geen dank, al heb ik mij verhard;
Wees zacht, vriendin of zuster, zij het maar zo lang
Als een sublieme herfstdag of zonsondergang.
Een korte taak! Het graf heeft haast, naar ik voorzie!
Ach, laat mij, met mijn voorhoofd rustend op uw knie,
Om zomerhitte treurend, nog de smaak opdoen
Van ’t zachte, gele zonlicht uit het naseizoen!

Leave a Reply