Sarlat-La-Caneda – kilometerpaaltje 88.2 – is de stad van Étienne de La Boétie. Het hij waar hij geboren werd, is inmiddels grondig gerestaureerd. Misschien zou zijn naam in de vergetelheid geraakt zijn, als hij niet innig bevriend raakte met Michel de Montaigne. Of vangt wederzijdse liefde de band tussen de twee beter?
Maarten Asscher noemt Étienne de La Boétie in Elke dag, een heel persoonlijk boek over de dood onder ogen moeten zien. Doodgaan deed De La Boétie in Germignan. Maar daar gaat het Asscher niet om Hij noemt de jurist, filosoof en schrijver in de context van ‘homing’: terugverlangen naar de plaats waar je vandaan kwam, de plek waar je je het meest thuisvoelt. In dat kader vertaalde Asscher ‘Sonnet XXIV’ uit het Middelfrans. In dat gedicht brengt De La Boétie een ode aan de Médoc:
Geel zijn de lokken van de oogstgodin vervaald
nadat de zon er heel de dag op heeft gestaan.
Nu schuilt hij, en de avondkoelte wordt stilaan
door Marguerite en mij als opbrengst ingehaald.
Wij lopen op een pad dat in het bos verdwaalt.
De liefde gaat voorop en wij erachteraan.
Verveelt het groen ons, dan lopen we tot aan
de lage weide die ons op zijn kleur onthaalt.
Van treurnis zijn we vrij en van de moeilijkheden
van vorsten, hoven en het leven in de steden.
Médoc, o land van ongerepte eenzaamheid,
mijn dierbaar land, hoe verder jij ligt afgewend
van deze wereld, des te liever je mijn bent.
Wij kennen alle rampen toch van deze tijd.
Michel de Montaigne beschreef de vriendschap met Étienne de la Boétie kort en krachtig: ‘Omdat hij het was: omdat ik het was’. Dat klinkt bijna als Ubunta avant la lettre.
In zijn essay over vriendschap, dat niet over die ene vriendschap gaat, benadrukt Michel de Montaigne wel hoe uitzonderlijk zijn vriendschap met Étienne de La Boétie was:
Lang voordat ik hem persoonlijk leerde kennen was ik er namelijk al op gewezen; daardoor hoorde ik voor de eerste keer zijn naam en werd de weg gebaand voor die vriendschap, die wij, zolang God het wilde, onderhouden hebben, een vriendschap die zo volmaakt en totaal was, dat je iets dergelijks in de literatuur beslist niet gauw zult tegenkomen en waarvan onder onze tijdgenoten al helemaal geen spoor valt te bekennen. Om een dergelijke vriendschap op te bouwen moeten zoveel gunstige omstandigheden samenwerken, dat het al veel is, als zoiets eens in de drie eeuwen voorkomt.
(vertaling: F. de Graaff)
Die vriendschap duurde vier jaar. Toen overleed De La Boétie. Daags na diens overlijden schreef De Montaigne in een brief aan zijn vader, waarin hij de laatste woorden van zijn vriend optekent: ‘Mijn broer, blijf dicht bij me, alsjeblieft.’ (vertaling: Maarten Asscher)

Leave a Reply