‘Elk hotel een volgend leven, elk hotel een nieuw begin, elk hotel een radicale belofte en tevens een variatie op dezelfde worsteling die ik geen worsteling meer zou moeten noemen […]’. Misschien dat hotels daarom zo populair zijn als tijdelijk thuis voor menig schrijver, als plaats van handeling in allerlei soorten romans en als toevluchtsoord voor personages die hun leven moeten heroverwegen.
Het bovenstaande citaat is afkomstig uit Thuis ben je van Arnon Grunberg. Arnon Grunberg is een hotelmens. Zoals ook Joseph Roth een hotelmens was, al noemt Grunberg Roth – die zichzelf Hotelbürger noemde – in een van zijn columns in De Correspondent hotelpatriot.
Hotelmensen
In 2014 verscheen Hotelmens: reportages en brieven, een door Els Snick – vertaler van en pleitbezorger voor het werk van Joseph Roth – samengestelde bundel stukken waaruit blijkt hoe goed Joseph Roth wist hoe het er in hotels aan toeging. Zelfs als het waar is wat zij in haar nawoord schrijft – ‘Roth was een mythomaan, en het hotelburgerschap maakte deel uit van zijn zelfgecreëerde aura’- maken zijn observaties een authentieke indruk. Hotels, personeel en gasten ontkomen niet aan de kritische blik en scherpe pen van de schrijver die de rol van buitenstaander verkiest, al is het onmiskenbaar Joseph Roth zelf die de hotels betreedt die hij beschrijft.
Anders dan Joseph Roth blijft Arnon Grunberg niet altijd langs de zijlijn staan. Hij dompelt zichzelf onder en bedrijft participerende journalistiek, hij gaat ‘onder de mensen’, zoals Isaak Babel op advies van Maxim Gorki onder de mensen ging. Grunberg deed dat onder andere als kamerjongen in hotel G. in de buurt van München. Zijn ervaringen tekende hij op in Schone lakens, een van de reportages in Kamermeisjes & soldaten.
Het hotel: literair topos
Zo ontheemd / op de vlucht als Joseph Roth toen was of onthecht / onderweg als Arnon Grunberg nu is, zijn de meeste schrijvers niet. En de tijd dat schrijvers (semi-) permanent in hotels woonden is voorbij.
Maar er zijn nog steeds schrijvers voor wie een hotelkamer de ideale werkplek is. En niet alleen omdat ze er anoniem kunnen verblijven en relatief ongestoord kunnen schrijven.
Het hotel is nooit uit de literatuur verdwenen. Schrijvers maakten fictie van hun eigen ervaringen en die van anderen – de moderne mens is mobieler dan ooit; veel meer mensen dan vroeger zijn in staat om van hot naar her te reizen en kunnen het zich tijdens dat verplaatsen veroorloven om in een hotel te verblijven. Of laten zich inspireren door de wereld op zichzelf die het hotel is. Soms draait het een verhaal zelfs om het hotel zelf.
Het hotel als hotel
Lang voordat Ilja Leonard Pfeijffer met Grand Hotel Europa dé grote Nederlandse hotelroman schreef – over die roman later meer – verscheen Publieke werken van Thomas Roseboom. In deze historische roman, waarin Rosenboom net als Pfeijffer in zijn roman vraagtekens zet bij de opkomst van het massatoerisme, probeert vioolbouwer Walter Vedder tevergeefs munt te slaan uit het voornemen om op de plaats van zijn huis een hotel te bouwen. In zijn streven zijn vastgoed zo duur mogelijk te verkopen, maakt hij kapitale inschattingsfouten.
Het resultaat: zijn huis, en dat van zijn buurman, wordt door NV Victoria Hotel ingekapseld. En dat is voor wie tegenwoordig vanaf het Centraal Station in Amsterdam richting Dam loopt nog altijd te zien.
Ook in Driemaal bij dageraad van Alessandro Baricco gaat het om het hotel zelf, dat meer is dan alleen maar de locatie waar de verhalen samenkomen. Verhalen, want de novelle bevat er drie, waarin steeds dezelfde man en dezelfde vrouw elkaar ontmoeten, terwijl elke keer toch de enige, de eerste en de laatste keer is.
Ze ontmoeten elkaar in verschillende fasen van hun leven, steeds in dat ene hotel, waarbij een bijzondere rol voor de lobby is weggelegd.
In het leven van de man en de vrouw heeft het hotel steeds een andere functie. De eerste keer is het een anoniem verblijf, de tweede keer een werkplek en de derde keer een veilige haven.
Het hotel als biotoop/habitat
Hotelgasten beleven het hotel anders dan degenen die er wonen of werken. François Lepeltier, de hoofdpersoon uit Gstaad 95-98 van Marek van der Jagt (een heteroniem van Arnon Grunberg), zoon van een kamermeisje en een hotelgast, is geboren en getogen in een hotel. Dat hij er emplooi vindt, is dus niet zo verwonderlijk. Maar François Lepeltier heeft een wonderlijke opvatting over hospitality. De manier waarop hij zich in zijn rol van sommelier over gasten ontfermt, heeft psychopatische trekken.
Voor François Lepeltier is het hotel het centrum van een op waanbeelden gestoeld privé-universum.
Het hotel als plek om te overnachten
Ook als een hotel in de literatuur precies dat is wat een hotel moet zijn – een plek om te overnachten – zal een schrijver proberen dat functionele gebruik memorabel te maken.
In Het dak van de hemel van Paul Bowles en Jaar van de aap van Patti Smith wordt gereisd en overnacht, maar de twee auteurs geven ieder een andere draai aan het verblijven in een hotel.
Je zou Het dak van de hemel (The Sheltering Sky, 1949) van Paul Bowles een existentialistische roman kunnen noemen. Port Moresby en zijn vrouw Kit trekken, in het gezelschap van hun vriend Tunner, door de Marokko. Port en Kit zijn op zoek naar ‘verlossing’. Het is de zoveelste reis sinds ze getrouwd zijn.
Marokko gaat hun niet in de koude kleren zitten. De toenemende twijfel en het groeiende onvermogen op te gaan in de omgeving manifesteert zich onder andere in het vruchteloze zoeken naar steeds weer een nieuw hotel dat aan hun eisen voldoet. Vooral Port, die duidelijke ideeën over zichzelf dacht te hebben, komt zichzelf in Het dak van de hemel behoorlijk tegen.
Het Dream Motel is de eerste pleisterplaats waar Patti Smith aanlegt in het jaar dat ze zeventig wordt, en zichzelf een tussenjaar gunt. Alleen blijkt de plek waar ze de nacht doorbrengt geen motel te zijn, maar een inn. Dat ontdekt ze als ze de volgende morgen gewapend met haar polaroidcamera op zoek gaat naar een plek om te ontbijten. Ze raakt in gesprek met het uithangbord.
Ondanks de uitbrander van het uithangbord blijft Patti Smith de herberg hotel noemen. En ondanks de surrealistische wending die het gesprek neemt, is Jaar van de aap bovenal een roadmemoir.
Dit stuk over hotels in de literatuur schreef ik vier jaar geleden schreef ik voor het papieren tijdschrift REALmag. Voor Hanta heb ik het in vier delen opgeknipt.


Leave a Reply